niet te stelpen

die avond
schoot de nacht naar binnen

het wapen was voorhanden
de cijfers weggegleden

enkel nog doordrenkte doeken
voor een man op een kier

de kou dringt altijd door de gaten

een vader splijt in stilte
het rumoer van vragen reist vooruit
door schemerige straten

ik haal de rug van mijn hand
beschaamd over mijn lippen
bloedrode vegen

sla mijn ogen neer
bij de grimas
van het leven

in ieder mens
houden jager en prooi
zich tot het einde samen op

Om te delen

niemand is overbodig

maar ik geloof mijn eigen woorden niet
het is in alles dat ik je ontga

het vonnis is geveld
een spel wil het niet worden

ik ben een reiziger in wartaal
besta uit een handvol uitgelekte verhalen
en een vloed aan vragen

zij die dit onderpand bewonen
zijn de laatste patronen

van een schijnbeweging

 

Om te delen

voor keren is er geen huid genoeg

lang geleden
dat de tijd ging liggen
en de vloer kreunde
onder binnenvallend licht

ik oefen
een thuiskomst

trek me terug
in de botten
van een knellende stad

smacht naar een toon
die op zichzelf staat

daar opnieuw
de onderkant van zijn
of een achtergelaten vergezicht

(nu niet
van plaats
veranderen)

ik wacht
blijf ijl blijf leeg

en buiten fluit een man
tegen de nacht

 

Om te delen

levenslang

ik tastte
naar mijn vroegste thuis
trof een vloer vol negatieven

en jouw vleugels
aan de wand
te drogen

nu vrees ik het toerental
van de schrammen
die zich voegen

ik pel je hartslag van de muren
bedek je ogen met een kleed
ik wit je stem

terwijl ik weet
dat dit huis ons altijd
zal onthouden

 

Om te delen

de nacht kent vele zalen

Uitgelicht

maar angst
is een uitnodiging
voor achterkamers

waar het spel
allang begonnen
en het brozer worden
in veranderd licht

de regels heb ik nooit begrepen

zelfs hier
bij het schudden van
de opgetrokken harten en
het delen van beslotenheid
spreekt niemand over
hoe het is

gekooid te zijn

en het laaien
van onvermogen
lokale tijd

Om te delen

hoe alles schuift

ik voel de jaren die niet passen en het slippen van
de grond en de meeuwen – die niet langer
voor me spreken – werden uit de lucht gegrepen
kunnen amper hun regen nog bedwingen

de rode kunststof sterren kauwen op mijn vragen
niet wetend waarheen laat staan waarom ze zijn
te luid voor het horen tikken van de stilte
zo is het altijd geweest

dit donker moet verzonnen zijn

het is niet zo lang geleden dat ik een storm opstak
nu lig ik voor het rapen weet dat mensen werkelijk
kunnen breken de waanzin is in iedereen en tegen
de binnenkant van een oorlog is niets bestand

nog even en ik hervat mijn vallen
en de onnoemelijke behoefte aan het bijeenroepen
van een winter het stillen van een landschap
en het afscheid van ons gelijk

hier leg ik mijn wijzers af en vlecht me in op de
hartslag van grijsgeworden bomen luid geluidloos
luister – want als er niet meer wordt gesproken
dan zeg ik je het meest

 

Om te delen

fade-out

(Voor Arthur Jaspers)

aan de schemerende gracht
hapert een man
gewikkeld in vroeger

en niemand streelt hem door zijn haren

hij wiegt
zijn verliezende lijf
op de maat van passanten – breekt

de laatste dagen van dit zo besloten feest
waarop iedereen te vroeg ging slapen

en sinds de kruisen binnenstromen
verkruimelt hij – de laatste bomen

barst
nooit meer
in bloemen uit

 

Om te delen