niet te stelpen

die avond
schoot de nacht naar binnen

het wapen was voorhanden
de cijfers weggegleden

enkel nog doordrenkte doeken
voor een man op een kier

de kou dringt altijd door de gaten

een vader splijt in stilte
het rumoer van vragen reist vooruit
door schemerige straten

ik haal de rug van mijn hand
beschaamd over mijn lippen
bloedrode vegen

sla mijn ogen neer
bij de grimas
van het leven

in ieder mens
houden jager en prooi
zich tot het einde samen op

Om te delen

uit welke hand

ik leef in de plooien
van een geleende naam

hoe haar ambtenarenogen
me officieel ontweken

(en ik
mij blijkbaar onbekend
wel schrijf maar nog niet weet
wie ik beteken)

ik tast naar de vertaling
van betraande straten

een stad licht op
slaat zichzelf gade
wendt zich af

laat haar evenbeeld
te water

het stroomt
met alle winden mee

 

Om te delen