hoe alles schuift

ik voel de jaren die niet passen en het slippen van
de grond en de meeuwen – die niet langer
voor me spreken – werden uit de lucht gegrepen
kunnen amper hun regen nog bedwingen

de rode kunststof sterren kauwen op mijn vragen
niet wetend waarheen laat staan waarom ze zijn
te luid voor het horen tikken van de stilte
zo is het altijd geweest

dit donker moet verzonnen zijn

het is niet zo lang geleden dat ik een storm opstak
nu lig ik voor het rapen weet dat mensen werkelijk
kunnen breken de waanzin is in iedereen en tegen
de binnenkant van een oorlog is niets bestand

nog even en ik hervat mijn vallen
en de onnoemelijke behoefte aan het bijeenroepen
van een winter het stillen van een landschap
en het afscheid van ons gelijk

hier leg ik mijn wijzers af en vlecht me in op de
hartslag van grijsgeworden bomen luid geluidloos
luister – want als er niet meer wordt gesproken
dan zeg ik je het meest