niet te stelpen

die avond
schoot de nacht naar binnen

het wapen was voorhanden
de cijfers weggegleden

enkel nog doordrenkte doeken
voor een man op een kier

de kou dringt altijd door de gaten

een vader splijt in stilte
het rumoer van vragen reist vooruit
door schemerige straten

ik haal de rug van mijn hand
beschaamd over mijn lippen
bloedrode vegen

sla mijn ogen neer
bij de grimas
van het leven

in ieder mens
houden jager en prooi
zich tot het einde samen op