ik zag de getemde maan – hij droeg jouw gezicht
en elke nacht opnieuw ging je aan land
in doodgezwegen kamers
je dreef me door de straten van een omgebogen stad
huilend naar de huizen waar we lang geleden bloeiden
en onder jouw gestolde lach
bleven doorverwezen ganzen kraken
alsof de lucht nog niet gebroken was